In de jaren zestig van de negentiende eeuw kwam in verschillende steden van Nederland, met name in Amsterdam, een groot aantal vak- en werkliedenverenigingen tot ontwikkeling. In 1871 sloten twintig werkliedenverenigingen zich aaneen in het Algemeen Nederlandsch Werkliedenverbond (ANWV). De aanleiding tot de oprichting was grote sociale onrust in Parijs waar allerlei socialistische, radicale en revolutionaire groepen een greep naar de macht deden. De Parijse Commune hield een maand lang stand.
Het ANWV, geleid door B.H. Heldt, voorzitter van de Amsterdamse meubelmakersvereniging Amstels Eendracht, koos principieel voor standensamenwerking en tegen klassenstrijd. Sociale hervormingen waren nodig, maar konden alleen in overleg en samenwerking met werkgevers doorgevoerd worden. Het verbond, dat rond 1875 56 afdelingen telde met meer dan vijfduizend leden, was een merkwaardig mengelmoes van christelijk-conservatieve, liberale en vrijzinnig-liberale verenigingen. De alliantie tussen leek in eerste instantie levensvatbaar te zijn, maar scheurde in 1875 door onenigheid over de signatuur van het onderwijs (zie: schoolstrijd). Terwijl de orthodoxe verenigingen voor bijzonder onderwijs kozen, zetten de liberale verenigingen zich in voor openbaar onderwijs. Het besluit het streven naar neutraal openbaar staatsonderwijs in de statuten van het ANWV op te nemen werd eind 1875 het breekpunt.
Een jaar later richtten orthodox-protestantse werklieden en patroons het Werkliedenverbond Patrimonium op. Niet lang daarna traden ook veel radicale en socialistisch-gezinde arbeiders uit het ANWV. Voor het verbond restte toen weinig meer dan een bestaan in de marge van de Nederlandse arbeidersbeweging. In 1921 werd het ANWV opgeheven.
[Op foto: B.H. Heldt]
Auteur
Rolf van der Woude, voor Protestant.nl
12 november 2008
Verder lezen
B.H. Heldt, Het Algemeen Nederlandsch Werkliedenverbond, 1871-1896 (Leeuwarden 1896)