Scheuring in de Hervormde Kerk (1834).
De Afscheiding begon toen de predikant H. de Cock zich 10 oktober 1834 te Ulrum met een bijna voltallige gemeente losmaakte uit het volgens hen bedorven kerkverband van de Nederlandse Hervormde Kerk. Datzelfde jaar nog volgde, eveneens met vrijwel de gehele gemeente, zijn collega H.P. Scholte van Doeveren (Noord-Brabant). In 1835 voegde een viertal predikanten, waaronder A. Brummelkamp van Hattem en S. van Velzen van Drogeham, zich bij hen. Daarna scheidden zich op veel plaatsen, meest op het platteland, groepen gelovigen af, die zich onder de leiding van deze voorgangers aaneensloten tot gemeenten. In 1835 en 1836 werden 130 gemeenten gesticht; in maart 1836 kwamen vijf predikanten en tien ouderlingen voor het eerst bijeen in een eigen synode.
Aan de Afscheiding was het nodige voorafgegaan. Eind 1833 was het tot een publieke botsing gekomen over de binding aan de gereformeerde belijdenis, tussen De Cock en zijn voorganger te Ulrum, P. Hofstede de Groot. De Cock was toen al geschorst vanwege onkerkelijk optreden; in juli 1834 gaf de hervormde synode hem nog een half jaar bedenktijd alvorens hij zou worden afgezet. De synode ontving dat jaar en het jaar daarop een aantal petities waarin werd gevraagd dat zij zich zou uitspreken over de binding aan de belijdenis. Dat zij beide keren een heldere verklaring ontweek, bevorderde de bereidheid om zich af te scheiden. De afgescheidenen kregen van meet af aan te maken met repressieve maatregelen van de overheid, die de Hervormde Kerk als hoeksteen van het staatsbestel beschouwde. Zij dreef bijeenkomsten uiteen, legde boeten en zelfs gevangenisstraffen op.
Dat de Afscheiding zo snel om zich heen greep, had te maken met een aantal factoren. In de eerste plaats de godsdienstige opleving die in de jaren na de Belgische opstand (1830) en de cholera-epidemie van 1832 plaatsvond: onder de protestanten kwamen naast de Afscheiding ook het Réveil en de Groninger richting op. De opleving maakte dat naast bestaande conventikels al enige tijd nieuwe gezelschappen werden opgezet. Uitgevers van godsdienstige lectuur beleefden een gouden tijd: werkjes van ‘Groningers’, geschriftjes van opwekkings- en boetepredikers, stukjes van I. da Costa, A. Capadose en andere schrijvers uit de Réveilkring, en een groot aantal herdrukken van schrijvers van de Nadere Reformatie kwamen van de pers. Ook plaatselijke situaties speelden een rol, zoals: de afstand tot de woonplaatsen van de leiders van de Afscheiding, die al rondtrekkend overal gemeenten stichtten; de ‘ligging’ van de plaatselijke predikant(en); de sociale verhoudingen binnen gemeenschappen. De afgescheidenen en hun leiders vormden een gemengd gezelschap. De Cock wilde terugkeren naar de verhouding zoals die vóór 1796 tussen kerk en staat had bestaan, Scholte pleitte voor de scheiding van beide: subsidies aan kerkgenootschappen dienden te worden afgeschaft en rooms-katholieken hadden gelijke rechten als de afgescheidenen.
Scholte was de eerste die onderhandelde met de overheid over de erkenning van de gemeente te Utrecht en afstand deed van de naam en rechten van de oude Gereformeerde Kerk, waarna men in 1839 werd toegelaten als ‘Christelijke afgescheidene gemeente’. De meeste gemeenten volgden. Een aantal, dat niets wilde weten van de onder invloed van Scholte vernieuwde kerkorde van Dordrecht 1618/19 en het prijsgeven van de naam ‘gereformeerd’, ging verder als (nog steeds vervolgde) ‘gemeenten onder het kruis’, later verenigd in de Gereformeerde Kerk onder het Kruis. A.C. van Raalte, die zich in 1836 bij de afgescheidenen had gevoegd, vertrok in 1846 met een aantal van hen naar de Verenigde Staten; het jaar daarop volgde een groep onder leiding van Scholte. De sterke man werd in die tijd Van Velzen, die van mening was dat alle orthodox-gereformeerden binnen de Hervormde Kerk zich bij de zijne hadden te voegen. Hij ging daarmee in tegen Brummelkamp, die goede contacten onderhield met personen uit de Réveilkring. Brummelkamp maakte plannen met hen voor een gezamenlijke predikantsopleiding, die dan zijn eigen privé-opleiding en die van andere collega’s zou moeten vervangen. Pas toen Brummelkamp dat plan had opgegeven en door de synode van 1854 besloten was dat alle privé-opleidingen samengebracht zouden worden in één school te Kampen, kwam de eenheid goed tot stand.
Alle deelnemers aan de Afscheiding hadden gemeen dat zij zich niet lieten gezeggen door het centrale gezag zoals zich dat na 1813 niet alleen in de staat, maar ook in de kerk had ontwikkeld. Men stond voor vrijheid in geloofszaken en droeg de gevolgen daarvan. Nog afgezien van de opgelegde forse boeten, werden de predikantstraktementen, de kosten van kerkgebouwen, enzovoorts geheel door henzelf gedragen, terwijl deze bij de hervormden grotendeels door de overheid bekostigd werden. In het bestuur van de gemeenten van de Afscheiding speelden personen uit de lagere standen dikwijls een belangrijke rol. De grondwetswijziging van 1848, waardoor kerk en staat gescheiden werden en godsdienstvrijheid een feit werd, werkte voor deze groep alleen maar positief. Ondanks voortgaande emigratie steeg het aandeel van de gereformeerden in de bevolking in de periode 1849-1859 van 1,31% tot 1,98%, waarmee de groep wat omvang betreft het derde kerkgenootschap van Nederland werd. Zoals blijkt uit vragen die ter synode kwamen, raakte men in die periode steeds meer betrokken bij de samenleving. In 1869 vond de vereniging met de Gereformeerde Kerk onder het kruis plaats; een jaar later werd ook het landelijke verband officieel door de overheid erkend onder de naam Christelijke Gereformeerde Kerk. In 1875 kwam een kerklid in de Tweede Kamer: de antirevolutionair J.L. de Jonge. Terwijl andere genootschappen hun ledental zagen teruglopen, namen de christelijke gereformeerden en verwante groepen nog steeds in aantal toe; in 1879 bedroeg hun aandeel in de bevolking 3,48%. In 1880 werden de christelijke gereformeerden benaderd door A. Kuyper met de vraag of men wilde meewerken in de nog te openen Vrije Universiteit. Tot concrete besluiten kwam het toen niet; twaalf jaar later echter zouden christelijke gereformeerden en Kuypers dolerenden (Doleantie) samen de Gereformeerde Kerken in Nederland vormen.
Auteur
J. Vree [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
W. Bakker e.a. (red.), De Afscheiding van 1834 en haar geschiedenis (Kampen 1984)
D. Deddens, J. Kamphuis (red.), Afscheiding-Wederkeer. Opstellen over de Afscheiding van 1834 (Haarlem 1984)
M. Drayer, W. van ’t Spijker (red.), In trouw gescheiden (Kampen 1984)
A. de Groot, P.L. Schram (red.), Aspecten van de Afscheiding (Franeker 1984)
J. Wesseling, De Afscheiding van 1834, I-X (Groningen/Barneveld 1972-1989)
C. Smits, De Afscheiding van 1834 I-IX (Oudkarspel-Dordrecht 1971-1991)
J. Vree, ‘Van separatie naar integratie: de afgescheidenen en hun kerk in de Nederlandse samenleving (1834-1892)’, in: R. Kranenborg, W. Stoker (red.), Religies en (on)gelijkheid in een plurale samenleving (Leuven/Apeldoorn 1995), 161-176
G.J. Schutte, ‘De Afscheiding van 1834’, in: Het Calvinistisch Nederland (Hilversum 2000), 105-124