Christelijke Broedergemeente, in 1823 opgericht onder leiding van de schipper Stoffel Muller.
De gemeente kwam voort uit bevindelijke kringen in de Nederlandse Hervormde Kerk, de zogeheten oefenaars. Voor de Zwijndrechtse Nieuwlichters had het ‘innerlijk licht’ het hoogste gezag. Daarom werden ze al spoedig als ‘dwepers’ beschouwd. De Zwijndrechtse Nieuwlichters stelden de eerste christelijke gemeente als ideaal voor ogen: onderlinge liefde en gemeenschap van goederen.
Doop en Avondmaal zagen ze als verouderde plechtigheden. Ze weigerden wapens te dragen en noemden de staat anti-christelijk. Huwelijken die ‘in de Heere’ gesloten waren, hadden volgens hen dan ook geen erkenning van de staat nodig; een gedachte die tot excessen heeft geleid. Het aantal leden van de Zwijndrechtse Nieuwlichters was in de bloeitijd ongeveer honderdvijftig. In 1843 hield de groep in Zwijndrecht op te bestaan; er waren enkele naweeën in Mijdrecht.
Auteur
J.K. Karels [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen:
B. de Groot, De Zwijndrechtse nieuwlichters. Zoekers van het Koninkrijk Gods (Kampen 1986)
G. J. Schutte, ‘De Zwijndrechtse nieuwlichters’, in: S. Voolstra e.a. (red.), Protestants Nederland tussen tijd en eeuwigheid. Jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme na 1800, jaargang 8, (Zoetermeer 2000) 113-123