Op 2 juli 1505 wordt een 21-jarige Duitse student in de rechten, op weg naar de universiteit van Erfurt, door hevig onweer overvallen. Hij denkt dat zijn laatste uur heeft geslagen en roept ontredderd uit: ‘Help, heilige Anna, ik wil een monnik worden!’ De naam van de jongeman: Maarten Luther.
Waarheid of legende?
Feit is dat Luther, voor wie een succesvolle carrière als jurist leek te zijn weggelegd, zijn rechtenstudie eraan gaf en toetrad tot de bedelorde van de augustijnen. In 1507 werd hij tot priester gewijd en keerde hij terug naar de Erfurtse universiteit, als theologiestudent. Na zijn promotie in 1512 werd hij hoogleraar in de bijbelse theologie in Wittenberg, een functie die hij twee jaar later ging combineren met het predikantschap van de Stadskerk. Luther werd er geconfronteerd met gelovigen die hun zonden kwamen opbiechten, maar vervolgens weigerden uitvoering te geven aan de door hem opgelegde boetedoening. Die was hen al kwijtgescholden, zeiden ze dan, doordat ze bij de dominicanermonnik Johann Tetzel een aflaat hadden gekocht.
Na eerst in preken tegen deze praktijk te hebben geprotesteerd, wendde Luther zich op 31 oktober 1517 schriftelijk tot het episcopaat. Om een discussie op gang te brengen voegde hij aan de brief 95 kritische stellingen over het reilen en zeilen van de katholieke kerk toe. ‘De mening,’ aldus de 75e stelling, ‘dat de aflaat van de paus zo krachtig werkt dat hij een mens zou kunnen vrijspreken van de zonde, zelfs als hij de moeder Gods zou hebben geschonden, is krankzinnig.’ Het verhaal dat Luther de stellingen aan de deur van de Wittenbergse Slotkapel nagelde moet naar het rijk der legenden worden verwezen.
Luthers pamflet nam, dankzij de boekdrukkunst, een hoge vlucht in vele talen en verwoordde een algemeen onbehagen over het functioneren van de kerk. Bisschoppen, priesters en monniken verrijkten zich schaamteloos en hielden zich niet aan de geloften van celibaat en onthouding. Tegenstemmen klonken al langer, in Nederland onder meer van Deventenaar Geert Grote, grondlegger van de Moderne Devotie, een eind veertiende eeuw opgang makende beweging die innerlijke zuiverheid predikte. Hoewel de Moderne Devotie zich verre hield van kritiek op de katholieke kerk baande de beweging wel degelijk de weg voor de Reformatie. Door de essentie van het christelijk leven in het innerlijk van de mens te zoeken, en niet in dogma’s of organisaties, legde zij namelijk de basis voor het bijbels humanisme. Deze stroming brak met eeuwenoude, vastgeroeste theologische opvattingen en ging terug naar de bronnen van het christelijk geloof: de bijbel, de geschriften van de kerkvaders. Individuele gelovigen namen afstand van het establishment en verdiepten zich zelfstandig in Gods Woord.
De bekendste vertegenwoordiger van het bijbels humanisme werd Geert Geertsz, een in Rotterdam geboren priester. In 1493 verliet hij, 25 jaar oud, gedesillusioneerd het klooster en maakte in scherpzinnige en satirische vertogen kerk en geestelijkheid tot mikpunt van kritiek. ‘Als ezels balken ze door de kerk,’ bespotte hij in 1509 de domheid oppervlakkigheid van priester en monniken, ‘en dan denken ze nog dat ze daarmee de oren der heiligen lieflijk strelen.’ De schrijver van deze woorden verwierf naam en faam onder zijn Latijnse naam: Desiderius Erasmus. In Luther zag hij een geestverwant, maar diens militante inborst was Erasmus vreemd; hij bleef de katholieke kerk tot zijn dood trouw. Voor Luther was een nieuwe kerk het onvermijdelijke gevolg van een nieuwe theologie, terwijl Erasmus meer de nadruk legde op persoonlijke hervorming. De buitenwacht echter vereenzelvigde de beide priesters. Toen het in 1520 in Dordrecht tot godsdienstrellen kwam, nadat een geestelijke in zijn preek tegen Luther was uitgevaren, wezen de autoriteiten Erasmus als kwade genius aan.
Een jaar later, januari 1521, sprak paus Leo X de banvloek over Luther uit. Die werd in mei, toen Luther opnieuw weigerde zijn stellingen te herroepen, op de rijksdag van Worms bevestigd door keizer Karel V. Door dit edict werd Luther vogelvrij, maar keurvorst Frederik van Saksen, zijn belangrijkste beschermheer, bracht hem in veiligheid.
Het edict van Worms werd in 1526 afgezwakt. In zijn strijd tegen eeuwige rivaal Frankrijk had Karel V de steun van de Duitse vorsten nodig, ook van hen die de lutherse leer aanhingen. Maar Frankrijk was nog niet verslagen of het gedogen was verleden tijd. In 1529, op de rijksdag van Spiers, werd besloten dat het bisschoppelijk gezag onverkort moest worden hersteld en dat lutheranen niet meer in bescherming mochten worden genomen. Een aantal vorsten en steden weigerde zich hierbij neer te leggen en richtte zich met een appèl tot de keizer. De keurvorst van Saksen, Luthers beschermheer, liet het appèl in druk verspreiden, onder de titel Protestation – naar het Latijnse werkwoord protestari dat getuigen betekent. De naam van het verweerschrift zou vervolgens op de aanhangers ervan overgaan: protestanten.
Om het ‘ware geloof’
In de Nederlanden schoot het protestantisme moeizaam wortel, ondanks dat Grotes Moderne Devotie en Erasmus’ bijbels humanisme een rijke voedingsbodem vormden. Een groot deel van het Nederlandse volk had zich weliswaar van de katholieke kerk afgewend, maar van brede omarming van het nieuw geloof was geen sprake. Eenduidig was de reformatorische beweging evenmin. Lutheranen wedijverden met volgelingen van de Zwitserse theoloog Zwingli die er een andere opvatting van het avondmaal op na hield. Ook manifesteerden zich wederdopers, aanhangers van de Duitse zwerfprediker Melchior Hoffman die de kinderdoop afwezen en in de Nederlanden de uitgetreden priester Menno Simons als leidsman hadden.
In dit religieuze meerstromenland, waarin protestantisme en katholicisme nog op veel plaatsen in elkaar overvloeiden, kwam na 1550 meer tekening toen de leer van de Franse kerkhervormer Johannes Calvijn veld begon te winnen. In Calvijns theologie stond Gods Almacht centraal. Hemel en aarde waren door Hem geschapen, maar Hij schroomde allerminst, als straf voor de zonde, het ondermaanse weer te vernietigen en zijn bewoners ter helle te voeren. Een klein deel van de mensheid was echter uitverkoren en zou na de dood de eeuwige zaligheid ten deel vallen. Deze predestinatieleer, het selectieve vooruitzicht op het hemelse vaderland, voedde de strijdbaarheid van de calvinisten. Ze weerstonden de inquisitie en werden de drijvende kracht achter de Opstand tegen de Spaanse koning Filips II die zijn vader Karel V in 1555 was opgevolgd.
De Opstand was de opmaat tot een oorlog die tachtig jaar zou duren, een periode waarin de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën werd gegrondvest, innig verstrengeld met het ‘ware geloof’ dat de calvinisten uitdroegen. Dit ging niet zonder slag of stoot. Tijdens het Twaalfjarig Bestand met Spanje (1609-1621) was de Nederlandse staat-in-wording toneel van een heftig conflict over Calvijns predestinatieleer. Jacobus Arminius, een Leidse hoogleraar in de theologie, bestreed dat Gods keuze vast stond en de gedoemde mens niets had te kiezen. Arminius erkende het bederf van het hart, maar achtte de zondaar desondanks in staat de juiste geestelijke keuze te maken. Collega-hoogleraar Franciscus Gomarus veroordeelde deze zienswijze: Arminius deed afbreuk aan Gods almacht. Het conflict spleet de jonge gereformeerde kerk: arminianen of rekkelijken kwamen tegenover gomaristen of preciesen te staan. De strijd werd in 1619 beslecht op de synode van Dordrecht die de leer van de gereformeerde kerk ondubbelzinnig in ‘preciese’ zin vastlegde. In de jaren die volgden werd de Nederlandse samenleving, van stadsbestuur tot schutterij en universiteit, gezuiverd van alles wat naar rekkelijkheid zweemde.
De orthodoxe omwenteling begon na 1630 aan kracht in te boeten. Veel regenten hingen een milder protestantisme aan; volgens hen was in de oorlog tegen Spanje de vrijheid van de Nederlandse natie in het geding, veel minder het geloof. Ook stadhouder Frederik Hendrik kantte zich, in de geest van zijn grootvader, Willem van Oranje, tegen scherpslijperij. Niettemin braken na 1648, het jaar waarin de vrede met Spanje werd getekend, opnieuw godsdiensttwisten uit. Hoofdrolspelers waren de theologen Johannes Coccejus en Gisbertus Voetius. Coccejus, die in Leiden doceerde en door de filosofie van Descartes was beïnvloed, betoogde dat de tekst van het oude testament niet altijd letterlijk moest worden opgevat. Voetius, hoogleraar in Utrecht, beschouwde de bijbel van kaft tot kaft als Gods Woord. Twijfel en slapheid moesten met wortel en tak worden uitgeroeid; alleen het ware geloof was garantie voor zedelijke zuiverheid, in het kader waarvan Voetius ook ten strijde trok tegen wuft vermaak als toneel en orgelspel in de kerken.
Coccejanen kwamen tegenover voetianen te staan zoals arminianen tegenover gomaristen eerder de zeventiende eeuw, maar het conflict kreeg een andere uitkomst. Samenwerking tussen stadhouder Willem III en de staten van Holland leidde in 1694 tot een apaiserend reglement voor het beroepen van predikanten en andere twist zaaiende kwesties. Langzaam maar zeker ebden de spanningen weg.
Verdraagzaamheid en Verlichting
In de volgende decennia won het tolerantiedenken terrein, in het kielzog van Verlichtingsdenkbeelden. Steeds grotere vraagtekens werden geplaatst achter de noodzaak van religieuze voorschriften in het publieke domein. Was de mens niet zeer wel in staat zijn lot in eigen hand te nemen? Geloven op gezag maakte plaats voor zelfstandig oordelen. Dit vrije denken drong de gereformeerde godsdienst gaandeweg de achttiende steeds verder in het defensief. Geloof verwaterde tot moraliteit: een mengsel van menselijke rede en goddelijke openbaring dat aan de man werd gebracht door de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Godsdienst moest deugd aankweken, geloofsleer nuttig zijn; orthodoxie was onbeschaafd. ‘Zijn aangezicht is strak en betrokken,’ typeerde Justus van Effen een ‘fijn, gereformeerd persoon’ in zijn Hollandsche Spectator. ‘Zijne tred is met gemaaktheid plomp, zijne lichamelijke bewegingen zijn traag en onachtzaam; hij schijnt in gedurige bespiegelingen verdronken.’
Anders dan in de zeventiende eeuw bleven heftige theologische polemieken uit. Petrus Hofstede, een rechtzinnige predikant uit het Groningse Zuidlaren die in 1770 hoogleraar werd aan de Rotterdamse Illustre School, beet weliswaar stevig van zich af, maar hij was niet maatgevend voor de gereformeerde gezindte. Daarin had het theocratische streven van Voetius plaatsgemaakt voor een piëtistisch getinte godsdienstbeleving. Geloof in de samenleving maakte plaats voor geloof in het hart.
Politieke polemieken waren echter niet van de lucht. Patriotten, verlichte burgers die een stem in het staatsbestuur eisten, kwamen na 1750 tegenover prinsgezinden te staan, magistraten die stand en status aan het stadhouderlijke bewind te danken hadden. Hoewel niet weinig predikanten verlichte opvattingen waren toegedaan, was de gereformeerde kerk grosso modo prinsgezind. Sinds de Opstand tegen Spanje waren God, Nederland en Oranje onlosmakelijk met elkaar verbonden, en dat moest zo blijven.
Maar het bleef niet zo. In 1795 liepen de legers van de Franse revolutionaire republiek de Zeven Verenigde Provinciën onder de voet. Stadhouder Willem V vluchtte naar Engeland en patriotten verwelkomden de Franse troepen als brengers van Verlichtingszegeningen. Een jaar later scheidden de nieuwe machthebbers de kerk van de staat, om van ambtsdragers overigens wel te eisen dat ze een eed op het nieuwe bewind aflegden. Wie weigerde werd afgezet.
De scheiding van kerk en staat werd in 1801 goeddeels ongedaan gemaakt, maar de suprematie van het gereformeerde kerk was definitief verleden tijd. In 1816, drie jaar nadat de Fransen waren vertrokken, kreeg de kerk een andere naam (Nederlandse Hervormde Kerk) en een andere organisatiestructuur. Kerkenraden en classicale vergaderingen, die bijna twee eeuwen lang het organisatorische fundament waren geweest, werden buitenspel gezet. De algemene synode, het landelijke orgaan, werd het machtigste orgaan waarvan de leden door koning Willem I werden benoemd. Gemeenteleden hadden nauwelijks nog een stem in het kapittel; predikanten werden van bovenaf aangesteld, door een verlichte elite van gegoeden die de menselijke ratio minstens even hoog inschatte als Gods soevereiniteit. Van de Dordtse leerregels hield met zich verre – die hadden in het verleden alleen maar tot eindeloze twisten geleid. Nationale eenheid ging boven geloofsverdeeldheid, in de kerk, maar ook op school. De jeugd moest ‘maatschappelijke en christelijke deugden’ worden bijgebracht; niet de catechismus lag op de lessenaar van de onderwijzer, maar boekjes van ’t Nut, met bijbelse verhalen van zedelijke strekking en heroïsche episoden uit de vaderlandse geschiedenis.
Bezwaren tegen den geest der eeuw
Rond 1830 begon zich een orthodoxe tegenbeweging af te tekenen, onder leiding van Hendrik de Cock, predikant in het Groningse Ulrum. Door middel van een Acte van Afscheiding of Wederkeering scheidde de Ulrumse gemeente zich in 1834 van de Nederlandse Hervormde Kerk af. Meer orthodoxe gemeentes gingen hun eigen weg. Nog geen twee jaar later omvatte de Afscheiding honderddertig gemeentes en twintigduizend leden.
Het betekende niet dat in de hervormde kerk de rust weerkeerde. Uit Zwitserland kwam het Réveil overgewaaid, een orthodoxe opwekkingsbeweging met een individualistische inslag. De beweging, die aansloot bij de piëtistische onderstroom die in de tweede helft van de achttiende eeuw opgang had gemaakt, kreeg in Willem Bilderdijk en Isaäc da Costa haar voortrekkers. Laatstgenoemde publiceerde een geruchtmakende pamflet, Bezwaren tegen den geest der eeuw, waarin hij de staf brak over de revolutionaire, door de Verlichting vergiftigde tijdgeest.
De toorts van Bilderdijk en Da Costa werd overgenomen door de Haagse advocaat en historicus Groen van Prinsterer die de ontluikende antirevolutionaire richting ook politiek stem probeerde te geven. Ook de staat diende Gods Woord tot leidraad te nemen, in al haar geledingen, het onderwijs voorop. Groen bleef echter een roepende in de woestijn, een veldheer zonder leger.
Abraham Kuyper, zijn opvolger, wist de massa wèl te bereiken: het orthodoxe volksdeel van kleine luyden: ambachtslieden, winkeliers, boeren, lage ambtenaren. Het eerste bewijs van hun emancipatoire kracht was een petitionnement ten faveure van ‘de school met den bijbel’. Het werd de koning in 1878 aangeboden en telde meer dan driehonderdduizend handtekeningen. Het was de opmaat tot de oprichting, een jaar later, van de ARP, Nederlands eerste moderne politieke partij. In 1880 stichtte Kuyper de Vrije Universiteit, zes jaar later stelde hij zich aan het hoofd van een nieuwe orthodoxe exodus uit de hervormde kerk: de Doleantie. De uitgetredenen vormden in 1892 met het grootste deel van de afgescheidenen de Gereformeerde Kerken in Nederland. De pijlers van het nieuwe, bijna vierhonderdduizend leden tellende kerkgenootschap werden de kerkorde en geloofsleer zoals die in 1619 op de synode van Dordrecht waren vastgelegd.
Aan de andere kant van het protestants-kerkelijke spectrum stond de in 1870 opgerichte Nederlandse Protestantenbond. Deze telde vrijzinnigen van allerlei snit: hervormden, luthersen, remonstranten, doopsgezinden – uiteindelijk 20.000 in totaal. Hun geestelijke leidslieden waren ‘moderne’ theologen als Opzoomer, Scholten en Kuenen voor wie de bijbel een corpus van antieke literatuur was – niet Gods Woord. ‘Wij zijn los van de bijbel als wetboek,’ verkondigde predikant en literator Busken Huet, ‘en dit strekt ons tot eer.’
Versplintering en hereniging
Ook na het vertrek van Kuyper en zijn volgelingen bleef de hervormde kerk een verdeeld huis. Het herbergde orthodoxen die Kuypers ijveren voor herleving van het ware calvinistische geloof steunden, maar de kerk van binnenuit wilde reformeren. In 1906 organiseerden zij zich in de Gereformeerde Bond. Op de andere vleugel van de hervormde kerk opereerden modernen en vrijzinnigen. Dit was een kleinere en heterogenere groep van ontwikkelde gelovigen die een brug probeerde te slaan tussen de bijbel en de moderne wetenschap en cultuur. ‘Ethischen’ vormden een derde stroming. Ze waren rechtzinniger in de leer dan de modernen en vrijzinnigen, maar legden – anders dan de ‘bonders’ – niet de nadruk op kerkherstel. Persoonlijke geloofsbeleving stond centraal, met de stem van het geweten als leidraad.
De hervormde kerk, in 1909 44% van de bevolking omvattend, was een reus op lemen voeten. De gereformeerde kerken daarentegen waren een vitaal en strak georganiseerd genootschap. Door aanpalende organisaties als de ARP, de Vrije Universiteit en het CNV had het grote politiek-maatschappelijke slagkracht. Maar Kuypers organisatiedrang en systeemdenken wekten ook weerzin, onder meer bij De Savornin Lohman, de eerste fractievoorzitter van de ARP. Hij verliet de partij in 1895 en stelde zich aan het hoofd van de ‘vrij antirevolutionairen’. Ze traden in 1908 tot de Christelijk-Historische Unie toe die haar stemmen grotendeels uit het hervormde bevolkingsdeel ging trekken. Tien jaar later, in 1918, werd de Staatkundig Gereformeerde Partij opgericht. De partij was nauw verbonden met de Gereformeerde Gemeenten, een kerkgenootschap dat in 1907 had licht had gezien.
Een dispuut over de uitleg van Genesis 3 leidde in 1926 tot de uittocht van zevenduizend gelovigen uit de gereformeerde kerken. Ze gingen de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband vormen en organiseerden zich – deels – politiek in de Christelijk Democratische Unie. Een gezichtsbepalende figuur werd ds. J.J. Buskes. Een diepere oorzaak van de scheuring was een generatieconflict. Jongeren liepen te hoop tegen het even imposante als verstarde kuyperiaanse bolwerk van politieke partij, kerk, school en universiteit. De emancipatie van de kleine luyden was voltooid; menig mannenbroeder leunde tevreden en zelfvoldaan achterover. De afkeer van dit triomfale neocalvinisme en de roep om revitalisering van de gereformeerde leer zorgden in de tweede helft van de jaren dertig voor nieuwe spanningen, toegespitst op de theologische houdbaarheid van Kuypers doopleer. De scheuring (‘Vrijmaking’) voltrok zich uiteindelijk in 1944, midden in de oorlog. Negentigduizend gelovigen, aangevoerd door de Kamper theoloog Klaas Schilder, verlieten de kerk. In 1948 richtten vrijgemaakten het Gereformeerd Politiek Verbond op.
Terwijl na de bevrijding in de gereformeerde kerken veel bij het oude bleef, werd de hervormde kerk ingrijpend gereorganiseerd. Geïnspireerd door de dialectische theologie van Karl Barth stelden kopstukken als Gravemeijer, Kraemer en Banning alles op alles om de kerk te transformeren tot een maatschappelijk-geëngageerde geloofsgemeenschap. De kerk moest haar verdeeldheid overwinnen en in politieke en sociaal-economische kwesties krachtig stelling nemen. Het kon niet verhinderen dat velen, als gevolg van secularisatie en ontzuiling, de kerk de rug zouden toekeren. Tussen 1960 en 2000 daalde het aantal leden van 3,2 naar 1,9 miljoen.
De gereformeerde zusterkerk maakte de omslag naar een meer ‘open’ en betrokken kerkgenootschap pas in de jaren zestig en zeventig, onder invloed van spraakmakende theologen als Berkouwer en Kuitert. Toenadering tot de hervormde kerk was het gevolg. De beide kerkgenootschappen riepen in 1976 een deputatenraad ‘Samen op Weg’ in het leven die de mogelijkheid van hereniging moest onderzoeken. In 1986 sloot een derde kerkgenootschap zich aan: de Evangelisch-Lutherse Kerk. Het moeizame eenwordingsproces kreeg in 2004 zijn beslag met de oprichting van de Protestantse Kerk in Nederland die 2,1 miljoen leden ging tellen, 13 procent van de Nederlandse bevolking. Een deel van de Gereformeerde Bond en een groep hervormden ter rechterzijde ervan bleven buiten de fusie en vormden de Hersteld Hervormde Kerk.
Verloren de traditionele kerkgenootschappen na de oorlog veel aanhang, de pinksterbeweging en evangelische beweging kwamen tot grote bloei. Ze verwijten de grote protestantse kerken dat geloofsverdieping en missionair elan zijn verstikt door intellectualisme en institutionalisme. Ze onderstrepen het absolute gezag van de Schrift en plaatsen de persoonlijke wedergeboorte van de gelovige in het middelpunt. Veel meer dan de evangelischen benadrukken de pinkstergelovigen het reddende en genezende werk van de Heilige Geest. Eigenlijk willen ze de oprechtheid en eenvoud van de eerste christengemeenten actualiseren. Een ander verschil is dat de evangelische beweging pluriformer is en zowel raakvlakken heeft met de oecumenische als orthodox-reformatorische beweging. Belangrijke spreekbuis van de evangelische beweging is de Evangelische Omroep.
Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
31 oktober 2008
Verder lezen
J. van Eijnatten en F. van Lieburg, Nederlandse religiegeschiedenis (Hilversum 2005)
H.J. Selderhuis (red.), Handboek Nederlandse kerkgeschiedenis (Kampen 2006)