Patrimonium

Patrimonium klein.jpg

De Werkliedenvereeniging Patrimonium (Vaderlijk Erfdeel) werd in 1876 in Amsterdam opgericht. De stuwende kracht was voorman-metselaar Klaas Kater, terwijl zijn werkgever Willem Hovy, een steenrijke bierbrouwer, de belangrijke man op de achtergrond was. De oprichting van Patrimonium moet gezien worden tegen de achtergrond van de snelle ontwikkeling die de Nederlandse samenleving doormaakte, Amsterdam in het bijzonder. De industrialisering, de toepassing van stoomkracht en ander vernieuwingen zorgden voor een doorbreking van aloude patriarchale verhoudingen. Er kwam een arbeidersklasse op die rechten eiste waardoor de sociale kwestie een actueel maatschappelijk thema werd.

Ook in godsdienstig-cultureel opzicht waren er grote veranderingen. Modernisme en vrijzinnigheid kregen vaste voet in de Nederlandse Hervormde Kerk. Mede hierdoor vervreemdden veel arbeiders van hun geloof en werden vatbaar voor de vooral in Amsterdam opkomende socialistische bewegingen.

Patrimonium was geen vakcentrale maar een standsorganisatie die protestantse arbeiders een geestelijk en maatschappelijk tehuis wilde bieden. Daarom werd ook veel nadruk gelegd op zaken als zondagsheiliging en andere moreel-ethische kwesties. Patrimonium zocht overigens wel degelijk naar lotsverbetering van de werklieden, maar verhoging van hun levensstandaard diende gelijk op te gaan met zedelijke verheffing.

In haar visie op de samenleving zocht Patrimonium aansluiting bij de antirevolutionairen. Ook de werkliedenvereniging wilde terug naar de tijd van vóór de Franse Revolutie, toen Nederland nog een protestantse natie was en de gildenstructuur de arbeider bescherming bood. Samenwerking tussen werkgevers en werknemers was voor Patrimonium een principiële zaak. Werkgevers konden buitengewoon lid worden van de vereniging.

Het initiatief vond navolging in andere steden. In 1880 werd het landelijk verbond Patrimonium opgericht, met Klaas Kater als voorzitter. Een succes was het verbond aanvankelijk niet. De koers was onduidelijk, het boterde niet in de leiding en de Doleantie zorgde voor verdeeldheid tussen de orthodox-protestantse arbeiders. Kater wist het tij te keren. Hij reisde stad en land af om afdelingen op te richten en leden te werven, geruggensteund door een diepe economische crisis. Omstreeks 1895 had Patrimonium circa 13.000 leden en was verreweg de grootste arbeidersorganisatie van Nederland.

Maar vervolgens viel het verbond opnieuw aan interne verdeeldheid ten prooi. Voorzitter Kater kwam tegenover een jonge garde bestuurders te staan die zich sterk maakte voor concrete lotsverbetering van de werklieden en voor een meer gelijkwaardige verhouding tussen hen en de patroons. Maar ook na Katers aftreden in 1900 slaagde Patrimonium er niet in zich tot een protestants-christelijk vakbeweging te transformeren. Vanaf 1909 ging het Christelijk Nationaal Vakverbond deze taak vervullen. Patrimonium werd een algemene sociale vereniging die zich vooral richtte op voorlichting over maatschappelijke vraagstukken. Vanaf 1910 werden er in veel steden woningbouwstichtingen opgericht.

In de tweede wereldoorlog werd Patrimonium verboden, maar na de oorlog werd het verbond weer opgericht. Zijn oude kracht kreeg het niet terug. Door functieverlies, secularisatie, ontzuiling en interne conflicten leidde Patrimonium als sociale vereniging een steeds marginaler bestaan. Nadat de woningcorporaties zich hadden afgescheiden stierf het verbond een stille dood.

[Foto vaandel: Anton van Daal]

Auteur
Rolf van der Woude, voor Protestant.nl
12 november 2008

Verder lezen
B. Kruithof, ‘Trouw aan het beginsel. De christelijk-sociale beweging in Nederland van 1875 tot 1905’, in: Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 7 (1981) 346-375
P.E. Werkman, ‘”Rijken en armen ontmoeten elkander”? De protestantse organisaties van werkgevers en werknemers (1876-1940)’, in: J. de Bruijn (red.), Een land nog niet in kaart gebracht. Aspecten van protestants-christelijk leven in Nederland in de jaren 1880-1940 (Amsterdam 1987) 113-134
W.P. Beekers en R.E. van der Woude, Niet bij steen alleen. Het Amsterdamse Patrimonium van sociale vereniging tot sociaal ondernemer (Hilversum 2008)