Protestants kerkverband, ontstaan uit verzet tegen de Vereniging tussen de uit de Afscheiding voortgekomen Christelijke Gereformeerde Kerk (CGK) en de uit de Doleantie ontstane Nederduits Gereformeerde Kerken in 1892.
Hiertegen werden bezwaarschriften van ongeveer zevenhonderd leden ontvangen. De verzoeken om met een vereniging nog te wachten werden niet gehonoreerd, met als gevolg dat een drietal kerken niet met de vereniging meegingen. Als belangrijkste gronden werden daarvoor aangevoerd dat de plaatselijke kerken niet in deze vereniging gekend waren, maar vooral dat de opvattingen van A. Kuyper over doop en wedergeboorte, onschriftuurlijk werden geacht en eerst besproken dienden te worden.
Men zag zichzelf als de wettige voortzetting van de uit de Afscheiding voortgekomen Christelijke Gereformeerde Kerk (de synode van 1947 veranderde de naam in ‘kerken’). De naam geeft aan dat men christelijke kerk op gereformeerde grondslag wilde zijn, dat wil zeggen dat men zich bond aan de bijbel als het onfeilbare woord van God en aan de drie gereformeerde belijdenisgeschriften.
Groei was er in de eerste decennia doordat zich bij de CGK al snel meerderen voegden die moeite bleven houden met de Vereniging. De ingenomen positie betekende het verlies van de opleiding in Kampen. In 1894 werd een Theologische School in Den Haag geopend en in 1919 werd de opleiding (sinds 1989 Theologische Universiteit) naar Apeldoorn verhuisd.
De wortels van de CGK in Reformatie, Nadere Reformatie en Afscheiding zijn sinds 1892 herkenbaar geweest in de visie op prediking, pastoraat en kerk. Het accent in de verkondiging en in het pastoraat ligt op de persoonlijke geloofsbeleving, waarbij de oproep tot bekering en tot zelfonderzoek verbonden is met het wijzen op de beloften van het verbond. De prediking is daardoor te karakteriseren als bevindelijk.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen hoorders die al tot geloof gekomen zijn en zij die nog onbekeerd zijn. De bevindelijkheid komt tot uiting in de aandacht die in prediking en pastoraat aan het werk van de Heilige Geest wordt gegeven. De verscheidenheid binnen de CGK die er eveneens sinds 1892 geweest is, betekent dat dit persoonlijke accent verschillend verwoord en ingevuld wordt.
Hoewel deze verscheidenheid in de loop der jaren soms tot spanningen leidde, is het nooit tot een breuk gekomen. Het kerkbegrip van de Afscheiding impliceert zowel handhaving van tucht over leer en leven, als openheid naar andere kerken van hetzelfde belijden. Deze geestelijke en kerkelijke positie heeft tot gevolg gehad dat de CGK een middenpositie zijn gaan innemen die tot uiting komt in veel grensverkeer van kerkleden, en in veel contacten met andere kerken van gereformeerde signatuur.
Deze contacten hebben tot vergaande samenwerking geleid met de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en de Nederlands Gereformeerde Kerken. Op missionair terrein was de CGK vooral actief in Indonesië en in Zuid-Afrika, terwijl in de afgelopen jaren de zendingsactiviteiten ook naar andere delen van de wereld worden uitgebreid.
De CGK kennen een presbyteriale kerkstructuur, uitgaand van de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeenten. Deze gemeenten zijn via een kerkverband (met classes, particuliere synodes en een generale synode) aan elkaar verbonden. In 2005 tellen de CGK ongeveer 75.000 leden met 183 gemeenten en 166 predikanten.
Auteur
Herman Selderhuis [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
M. Drayer e.a., En toch niet verteerd: uit de geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerken sinds 1892 (Kampen 1982)
W. van ’t Spijker e.a., Een eeuw Christelijk-Gereformeerd (Kampen 1992)
J. H. Velema, Wie zijn wij? (Amsterdam 1992)