Vakorganisatie opgericht in 1909.
Het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) had oorspronkelijk een interconfessionele, gemengd protestants-katholieke structuur. Volgens de initiatiefnemers oversteeg de verwantschap in maatschappijvisie de kerkelijke verschillen; de voornaamste kenmerken van die visie waren antisocialisme en antiliberalisme enerzijds en solidarisme anderzijds. De interconfessionele opzet, die geen formele banden met kerken en politieke partijen toeliet, spoorde echter niet met de strategie tot verzuiling van met name de katholieke bisschoppen. In 1912 dwongen de Nederlandse bisschoppen daarom hun gelovigen de interconfessionele vakbeweging te verlaten. Het CNV werd daardoor protestants.
Kerkelijk en partijpolitiek bleef het ongebonden, hoewel het gereformeerde element ging overheersen en de oriëntatie op de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) sterk was. In de praktijk week het CNV onder de voorzitters K. Kruithof (1916-1935) en A. Stapelkamp (1935-1947) niet ver af van de koers van de ARP. Kamerlidmaatschappen van actieve bestuurders bevestigden de informele relaties met deze partij. In latere jaren hadden ARP-ministers zoals B. Roolvink, J. Boersma, W. Albeda en L. de Graaf een duidelijke CNV-achtergrond.
Qua structuur, taken en activiteiten verschilde het CNV niet veel van het sociaal-democratische Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV). Dat was lange tijd wel het geval met de Katholieke Arbeidersbeweging (KAB), die tussen 1925 en 1964 een dubbelstructuur van vak- en standsorganisaties kende. Met de protestantse standsorganisaties Patrimonium, Christelijk Nationale Werkmansbond (CNWB) en hun kleine lutherse pendant vormde het CNV wel een Commissie voor Samenwerking. Plaatselijk coördineerden zij hun werkzaamheden in Christelijke Besturenbonden en internationaal in de Protestants-Christelijke Arbeidersinternationale. Het Convent van Christelijk Sociale Organisaties (1937), voor overleg met de protestantse ondernemersorganisaties, had vooral symbolische betekenis.
Voor de Tweede Wereldoorlog was de relatie met het NVV polemisch. Met het Rooms-Katholiek Werkliedenverbond (RKWV) bestond alleen een band via het Internationaal Christelijk Vakverbond (ICV), dat in 1920 in Den Haag was opgericht en waarin CNV-secretaris H. Amelink en zijn katholieke collega P.J.S. Serrarens decennialang sleutelposten bezetten.
In het kader van de wederopbouw gingen de drie vakcentrales na de Tweede Wereldoorlog nauw samenwerken in de Raad van Vakcentralen. Het CNV professionaliseerde in de jaren 1947-1959 onder leiding van M. Ruppert. Diens optreden was aanleiding tot het einde van de Raad van Vakcentralen. Refererend aan slechte ervaringen met het NVV in het verleden, betuigde hij instemming met het bisschoppelijk Mandement van 1954 dat lidmaatschap van socialistische verenigingen verbood. Het NVV verbrak daarop de banden. Onder de voorzitters C.J. van Mastrigt (1959-1964) en J. van Eibergen (1964-1969) werden echter weer nauwe betrekkingen met NVV en het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV) aangeknoopt.
Ideeën om, parallel aan het Christen Democratisch Appèl (CDA), met het NKV een federatie of fusie aan te gaan, ketsten af omdat veel NKV-ers qua mentaliteit dichter bij het NVV stonden en vaak moeite hadden met de principiële benaderingen van hun CNV-collega’s. Het CNV op zijn beurt trok zich in 1974 onder leiding van voorzitter J. Lanser (1969-1978) terug uit het al zeer ver gevorderde federatieoverleg met NVV en NKV, omdat het onvoldoende perspectieven zag om de eigen christelijke identiteit te bewaren.
De Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) die NVV en NKV in 1976 tezamen vormden, had als neveneffect dat categorale katholieke vakbonden van ambtenaren, politiepersoneel, militairen en later ook onderwijspersoneel aansluiting bij het CNV zochten. Zij herkenden zich beter in de gematigde traditie van harmonie en dialoog van deze organisatie. Het CNV herwon daardoor zijn oorspronkelijke interconfessionele karakter. Bovendien versterkte hun toetreding het relatief grote aandeel dat de publieke sector altijd al had.
In 2003 telde het CNV 355.000 leden, verdeeld over elf bonden. Het participeert onder meer in de Stichting van de Arbeid en de SER en is aangesloten bij het Wereldverbond van de Arbeid, de opvolger van het ICV, en bij het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV).
Auteur
Paul Werkman [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H. Amelink, Met ontplooide banieren (Utrecht 1950)
K. Dijkstra, Beweging in beweging (Utrecht 1979)
J.J. van Dijk e.a., Door geweld gedwongen (Utrecht 1995)