Piet Jongeling: man met twee gezichten

piet jongeling.jpg

De gereformeerde politicus, journalist en kinderboekenschrijver Piet Jongeling (1909-1985) stond bij buitenstaanders goed aangeschreven: een vriendelijk ogende man, met altijd een kwinkslag als voorman van het Gereformeerd Politiek Verbond

 Vrijwel geen bevolkingsgroep roept zoveel emotie op als gereformeerden. Gereformeerden zijn, negatief geformuleerd, hard, star, sober en humorloos. En positief: mannenbroeders die staan voor hun zaak, zoals hun dikwijls moedige opstelling tijdens de Tweede Wereldoorlog wel heeft bewezen. Maar juist die Tweede Wereldoorlog vormt voor het imago van de gereformeerden vandaag de dag ook een probleem: hoe was het ‘in Godsnaam’ mogelijk dat de gereformeerden hartje oorlog een kerkscheuring uitvochten over de doop? Vrijgemaakten zeiden dat de doop het Verbond tussen God en dopeling bezegelde; als de dopeling later God vaarwel zei, was hij een Verbondsbreker. Synodalen zeiden dat de doop het Verbond tussen God en dopeling bezegelde als de dopeling wedergeboren was. Als de dopeling later het geloof vaarwel zei was hij kennelijk niet wedergeboren geweest toen hij gedoopt werd. Daarom veronderstelden de synodalen de wedergeboorte van gedoopte kinderen (de leer van de veronderstelde wedergeboorte). Die onzekerheid werd de vrijgemaakten te veel. 

 In 1944 werd de Kamper professor theologie Klaas Schilder afgezet door de gereformeerde synode. Schilder maakte zich vrij van het ‘synodale juk’ en in zijn kielzog vormden tienduizenden gereformeerden de ‘gereformeerde kerken vrijgemaakt’. Eén van hen was de journalist Pieter Jongeling, voor de oorlog werkzaam bij de Nieuwe Provinciale Groninger Courant. Ten tijde van de zogeheten ‘Vrijmaking’ zat Jongeling al jaren gevangen in het concentratiekamp Sachsenhausen, waar hij wegens verzetsactiviteiten was opgesloten. Via brieven van zijn vrouw werd hij op de hoogte gehouden van de kerkstrijd. Aanvankelijk schreef hij de kerkscheuring wel te betreuren, maar al snel juichte hij die toe. Want, zo citeert zijn biograaf Herman Veenhof: ‘de kerk is het fundament van alles. Als het in de kerk fout gaat, dan gaat niet automatisch, maar wel in de doorwerking, alles kapot.’

De kerk als het fundament van alles…tegenwoordig zegt zelfs een vrijgemaakt-gereformeerde kerkganger dat Jongeling niet meer na. Maar destijds, zo maakt Veenhof in zijn uitstekend geschreven biografie duidelijk, was een strijd voor de kerk een strijd op leven en dood. De vrijgemaakt-gereformeerde kerk beschouwde zichzelf in alle ernst als ‘ware kerk’, met alle gevolgen van dien. Van die gevolgen had de wereld geen last: die lachte om zoveel sectarisme. Nee, het waren vooral de vrijgemaakt-gereformeerden zelf die onder de pretentie leden. Voor zoekende zielen en aarzelende lieden was geen plaats. Onder het motto ‘doorgaande reformatie’ werden zij op de proef gesteld en niet zelden de kerk uitgedreven: wie zich niet krachtig genoeg in het spoor van Calvijn, Groen van Prinsterer en Schilder bewoog, kon gaan.

Piet Jongeling was één van de hardliners, die dit beleid zijn leven lang voorstond. Piet Jongeling? Is dat niet het aardige kamerlid van het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV), die zo geestig oppositie voerde tegen het kabinet-Den Uyl in de jaren zeventig? De niet van talent gespeende kinderboekenschrijver, die generaties gereformeerde kinderen aan zich verplichtte met boeken als Snuf de hond  en Holland onder het hakenkruis? En de gewaardeerde hoofdredacteur van het Gereformeerd Gezinsblad, sinds 1968 Nederlands Dagblad geheten? Ja, die Piet Jongeling. Biograaf Herman Veenhof maakt duidelijk dat Jongeling twee gezichten had: vriendelijk voor de reddeloos verloren buitenwereld en keihard voor het eigen kerkvolk, waarvan geen schaap mocht afdwalen.

Veenhof schetst met veel gevoel voor detail de kleinheid van deze wereld, waarin iedereen op iedereen lette, wat in 1967 leidde tot een nieuwe kerkscheuring. Bij die gelegenheid werden de twijfelaars aan de ‘ware kerk’ weggezuiverd in de beste communistische traditie. Wat was de rol van Jongeling hierbij? Daarover laat Veenhof de lezer in het ongewisse. Jongeling heeft de schijn tegen: als hoofdredacteur van het Gereformeerd Gezinsblad  was hij dik bevriend met Jaap Kamphuis, een fanatieke vrijgemaakte professor uit Kampen, die als ideologische scherpslijper anderen de maat van de belijdenis nam.

Jongeling, in de jaren zestig net aangetreden als lid van de Tweede Kamer, hield zich in zijn krant op de vlakte, maar liet zijn redacteur Arend Basoski tekeer gaan tegen de rekkelijken binnen het kerkgenootschap. Waarom liet Jongeling zichzelf niet gelden? Veenhof geeft geen antwoord op die vraag. Het doet enigszins afbreuk aan een verder uitstekend boek.

Wim Berkelaar, voor protestant.nl
6 mei 2009

Wim Berkelaar is als historicus verbonden aan het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme aan de Vrije Universiteit. Dit artikel verschijnt binnenkort in licht bewerkte vorm in het Historisch Nieuwsblad.

Herman Veenhof, Zonder twijfel. Pieter Jongeling (1909-1985) Journalist, politicus en Prins 431 p. De Vuurbaak, 24,90. 

Meer informatie op internet:
'Pieter Jongeling, voorman zonder twijfel', Nieuw Protestants Peil (EO-radio), 4 april 2009.