
Wetenschappers spreken graag over ‘verbetering van de mens’. Het uitbannen van ziekten bijvoorbeeld door een combinatie van nanotechnologie, genetica, ict en hersenwetenschappen. Christenen reageren vaak afwijzend op revolutionaire technische ontwikkelingen.
Prof.dr. Jan Hoogland vindt dat ethici meer invloed moeten krijgen op deze ontwikkelingen.
Christenen zien in technische ontwikkelingen vaak drijfveren van menselijke zelfoverschatting: de mens die wil zijn als God. Met deze terughoudende reactie oefenen ze evenwel niet veel invloed uit op de daadwerkelijke ontwikkelingen. Tegelijk zijn er noties in de christelijke kritiek op techniek die het overwegen waard zijn: argwaan jegens menselijke hoogmoed; wantrouwen van het streven naar perfectie in de moderne techniek; scepsis over onverantwoord ingrijpen in Gods mooie schepping etc.
Het is jammer dat de invloed van deze waardevolle kritische noties verwaarloosbaar is op de ontwikkeling van techniek. Hoe kan zulke kritiek op techniek vruchtbaar in het debat worden ingebracht? Hoe zorgen we dat we op een goede manier geïnformeerd worden over nieuwe technieken en dat we onze mening niet baseren op spookbeelden?
Wetenschappelijk onderzoek en techniek hebben een intrinsieke normativiteit. Ethiek zit als het ware ingebakken in de techniek. Het is naïef van technici en ethici om te denken dat men elkaar pas nodig heeft op het moment dat de toepassing van de techniek bijna is gerealiseerd. De ethische bezinning zou eigenlijk in het gehele ontwikkeltraject aanwezig moeten zijn als integraal onderdeel daarvan.
Om welke ethische vragen gaat het dan? De vraag of een bepaalde toepassing van techniek mag of niet mag is vaak remmend en niet stimulerend. Aan andere vragen zijn technische mensen nog niet gewend. Een ethicus vraagt naar de (mogelijke) consequenties die de nieuwe technologie voor ons leven gaat hebben, of en hoe we daarmee kunnen omgaan zonder onze eigen verantwoordelijkheid uit handen te geven, hoe we goed gebruik kunnen maken van de nieuwe mogelijkheden zonder onaanvaardbare grenzen voor een menswaardig bestaan te overschrijden.
Sturing op deze vragen is alleen mogelijk als technologen en ethici vanaf het begin goed samenwerken.
Jan Hoogland voor Protestant.nl
Jan Hoogland is bijzonder hoogleraar christelijke filosofie aan de Universiteit Twente, en is hoofdredacteur van het christelijk filosofisch magazine Beweging, dat in april een special uitbrengt over nanotechnologie, mede ter voorbereiding op een congres over nanotechnologie.
Reacties
Het boeh of bah van een nanotechnoloog
31 mei, 2010 - 19:45 — Mark BoneschanscherDat er een intrinsieke normativiteit in wetenschappelijk onderzoek zit ingebakken is iets waar ik het toch niet helemaal mee eens ben. Allereerst is de grootste drijfveer van een wetenschapper zijn nieuwsgierigheid. Er valt over te twisten of dit een wenselijke drijfveer is, maar dat even terzijde. Daarnaast is er (al dan niet) het ethische besef van de desbetreffende wetenschapper dat perk en paal aan die nieuwsgierigheid zal moeten stellen.
Dat er - liefst vóór een techniek ontwikkeld wordt - dan discussie gevoerd moet worden over de eventuele mogelijke toepassingen van een techniek is een utopie. Zeker, op het moment dat je IVF 'ontdekt' weet je wat een mogelijke toepassing is en is er dus discussie mogelijk. Voordat IVF echter 'ontdekt' werd waren alle individuele stappen die IVF mogelijk maakten al bekend. Deze waren ontdekt uit het oogpunt van fundamentele wetenschap: wetenschappers die houden van kennis om de kennis. En dat is iets waar een samenwerking op het gebied van technologen en ethici van te voren niets mee zou hebben kunnen doen.
Waar ligt dan wel een belangrijke taak voor de (wetenschaps)filosofie? Ik denk dat voornamelijk ingezet zal moeten worden in de 'tweede fase' van wetenschappelijke vooruitgang, namelijk de toepassing. Je kunt een wetenschapper niet tegenhouden in het doen van een ontdekking, maar misschien wel een bedrijf in de commercialisering daarvan. Of in ieder geval het publiek ervan overtuigen dat een bepaald product of productieproces een onethische grondslag heeft. Natuurlijk vraagt ook dit om kennis van (natuurkundige) zaken, maar dan wel op een andere manier. Enerzijds verdiepend naar de wetenschap toe, maar anderzijds vooral open en begrijpelijk communicerend naar het grote publiek. Ik hoop in ieder geval dat op die manier voorkomen kan worden dat nanotechnologie tot een nieuw monster van Frankenstein wordt gemaakt voordat we als nanotechnologen de kans krijgen om BOEH!!! of bah te zeggen.