Ieder mens zoekt een antwoord op de grote levensvragen. Wat is de zin van mijn bestaan? Welke toekomst is er voor mij, de mensheid en de aarde? Maar ook: bestaat God? Is er een hemel en een hel? De tekst uit Prediker 3:11 dat God de mens ‘de eeuw in hun hart’ heeft gelegd, wordt vaak in deze zin uitgelegd. Tot voor kort was ook ik hiervan overtuigd. Maar ik moet mijn mening bijstellen. Onlangs ontmoette ik iemand die het werkelijk aan een antenne voor het hogere onbrak. De ontmoeting vond overigens niet in levenden lijve plaats, maar op papier, in de lezing van de autobiografie van Pieter Geyl: Ik die zo weinig in mijn verleden leef: autobiografie 1887-1940. Pieter Geyl (1887-1966) was een bekend historicus en een van de leidende intellectuelen van zijn tijd. Na zijn studie werd hij correspondent in Londen. In 1936 kwam hij terug naar Nederland, om hoogleraar geschiedenis in Utrecht te worden. Al in zijn Londense tijd was hij bekend als voorvechter van de Groot-Nederlandse gedachte. De onfortuinlijke culturele en taalkundige breuk tussen Vlaanderen en de Noordelijke Nederlanden diende zo snel mogelijk hersteld te worden. Veel ‘Groot-Nederlanders’ raakten gaandeweg in nationalistisch en extreem-rechts vaarwater terecht. Zo niet Geyl. Hij ontwikkelde zich tot een scherp criticus van fascisme en nationaal-socialisme. Mede daarom werd hij in oktober 1940 door de Duitsers geïnterneerd in Buchenwald. Daar begon hij aan zijn autobiografie.
In Ik die zo weinig in mijn verleden leef vertelt Geyl onopgesmukt en onthutsend eerlijk hoe hij zich in de wereld omhoog werkte. Genadeloos legt Geyl zichzelf bloot als een zelfverzekerde, ijdele en egoïstische carrièremaker. Maar ook een bijzonder mens. ‘Quite a character’, zouden de Engelsen zeggen. Wat mij nog het meest opviel, was zijn houding ten opzichte van godsdienst. Opgegroeid in een agnostisch en liberaal milieu, blijft hij dit trouw. Het vooroorlogse Nederland is echter nog van religie doordesemd en vanzelfsprekend komt Geyl met christendom en christenen in aanraking. Historicus en politicus Carel Gerretson, verbonden aan de Christelijk-Historische Unie, is lange tijd een van zijn vrienden. Avonden lang discussiëren beide heren over wat hen bezighoudt, maar Geyl vertelt nergens dat zij over ‘het hogere’ spreken. Óf ze zwijgen over wat hen scheidt in hun levens- en wereldbeschouwing, óf het raakt Geyl zo weinig, dat hij het niet nodig vindt het ons mee te delen. Vijandig is Geyl niet – religie laat hem Siberisch. Als Gerretson, terwijl hij officieel nog getrouwd is, gaat samenwonen, weet Geyl daar smakelijk over te vertellen. Maar een oordeel ontbreekt. Gerretson moreel of religieus de maat nemen, is een notie die ontbreekt in Geyls denkraam.
Ik had beter moeten weten. Geyls houding was niet uniek. In de jaren vijftig van de vorige eeuw maken geleerden zich zorgen over de gevolgen van de industrialisatie voor de westerse mens. De Duitse cultuurfilosoof Alfred Weber meende dat de ‘derde mens’ – de mens van de Griekse en joods-christelijke traditie – wordt opgevolgd door de ‘vierde mens’. De mens zonder wortels en tradities, in alle opzichten een nihilist. De theoloog K.H. Miskotte nam dit idee over en radicaliseerde het. De vierde mens is bij hem ‘de mens, die op geen geestelijk appèl meer antwoordt’. De geseculariseerde mens vindt het bestrijden van religie al te veel moeite. Zo maakt Geyl in Utrecht kennis met de classicus H. Wagenvoort. Een ernstig, rechtschapen en goed collega, een harde werker ook, naar Geyls oordeel. En ook een tegenstander van het nationaal-socialisme. Toch merkt Geyl op dat ‘ook zijn orthodox geloof toch altijd voor een heiden als ik een slagboom tegen werkelijke intimiteit vormt’. Het gesprek, het debat, de confrontatie zo nodig, gaat Geyl niet aan. Zo kunnen veel christenen tegenwoordig horen: ‘Ik heb mijn mening, jij je geloof; laten we niet moeilijk doen.’
De babyboomgeneratie, die vaak luidruchtig protesterend kerk en geloof vaarwel zei, zwaait langzamerhand af en de postmoderne neemt het roer over. Je hoort weleens dat het voor kerk en geloof gemakkelijker wordt, nu de felle bestrijding door de kerkverlaters vermindert. De nieuwe generatie van postmoderne mensen loopt niet met dezelfde last rond als de babyboomers, heet het. Miskotte denkt daar heel anders over. Als predikant in Amsterdam ervoer hij al vóór de Tweede Wereldoorlog aan den lijve hoe lastig een gesprek is met de volledig geseculariseerde en ongeïnteresseerd vierde mens. Miskotte laat er geen misverstand over bestaan dat hoe meer het geloof naar de rand van de samenleving wordt geduwd, hoe moeilijker zo’n gesprek wordt. Wie zich wil inleven in de wereld van iemand die elke antenne voor het hogere mist en een voorloper is van deze vierde mens, moet Ik die zo weinig in mijn verleden leef lezen.
Rolf van der Woude, voor Protestant.nl
2 februari 2010
Rolf van der Woude (1952) is als senior-onderzoeker verbonden aan het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme van de Vrije Universiteit.
Nieuwe reactie inzenden