Door: Herman Noordegraaf
‘Dat ik mij altijd hard heb gemaakt voor de scheiding tussen kerk en staat, betekent niet dat ik vind dat ook kerk een straat gescheiden moeten zijn. Een kerk in de straat kan wel degelijk een positief effect hebben,’ aldus D66-voorman Alexander Pechtold eerder dit jaar. Columnist Herman Noordegraaf vraagt aandacht voor een gedegen, maar helaas al weer bijna vergeten PKN-nota die zinnige zaken zegt over de manier waarop de kerk het beste kan functioneren op de veelkleurige Hollandse straat.
Vorig najaar behandelde de Generale Synode van de Protestantse Kerk in Nederland een concepttekst van de nota De kerk en de democratische rechtsstaat – een positiebepaling. Omdat aan deze nota zowel binnen als buiten de kerken weinig aandacht is besteed, kom ik er vanwege het grote belang ervan op terug. Deze nota staat namelijk in een reeks fundamentele geschriften over de verhouding tussen kerk, politiek en samenleving. Wat de Nederlandse Hervormde Kerk betreft kunnen we denken aan de synodale geschriften Christen-zijn in de Nederlandse samenleving (1955), De politieke verantwoordelijkheid van de kerk (1964) en Gemeente-zijn in de mondiale samenleving (1988). Van gereformeerde zijde noem ik in het bijzonder Het spreken van de kerk in de samenleving (1972).
Het viel mij in de behandeling van de synode op dat er weinig principiële kritiek op de nota kwam en dat de bespreking ruim binnen de toegemeten tijd plaatsvond. Dit alles was uitdrukking van de consensus die er was en die ertoe leidde dat de nota unaniem werd aangenomen. Toch zette de nota enkele wissels om.
Zo neemt de nota uitdrukkelijk afstand van elke suggestie dat de kerk enig voorrecht zou kunnen claimen of enige pretentie zou kunnen voeren. Principieel spreekt de nota zich uit voor de democratie en voor de aanvaarding van de scheiding van kerk en staat. Dit betekent een afscheid van de theocratische aspiraties zoals die in delen van de vroegere Nederlandse Hervormde Kerk leefden. Krachtens die opvattingen had de kerk als vaderlandse kerk een bijzondere en bevoorrechte positie in de samenleving.
Ik herinner me nog dat bij de behandeling van het geschrift Gemeente-zijn in de mondiale samenleving de bepleite positiebepaling nadrukkelijk behandeld werd in relatie tot onder meer deze traditie. In de synodezitting van afgelopen najaar kwam deze nauwelijks aan de orde. Dat gold ook voor gereformeerde concepten als ‘soevereiniteit in eigen kring’ en het onderscheid tussen de kerk als instituut (voor de verkondiging van het Woord en de bediening van de sacramenten) en als organisme (de organisaties waarin individuele gelovigen hun verantwoordelijkheid voor politiek en samenleving gestalte geven).
De nota bepleit wel uitdrukkelijk de publieke verantwoordelijkheid van kerken en christenen. Terecht brengt zij naar voren dat de democratische rechtsstaat en de scheiding van kerk en staat niet betekent dat de kerk zich zou kunnen of moeten terugtrekken in de sfeer van het private leven en dat christenen in het publieke domein hun geloof tussen haakjes moeten zetten. De nota komt op voor een actieve deelname van kerken en christenen in het publieke domein volgens de spelregels van de democratie.
Een belangrijke rol ligt er voor kerken ook in het organiseren van het moreel beraad onder de leden. In de jaren tachtig deed het befaamde of beruchte ‘preken van de kerk’ door synode-uitspraken over kernwapens veel stof opwaaien. De nieuwe nota stelt dat het gaat om het deelnemen aan het morele debat in de maatschappij. Daarbij erkent de kerk de plurale samenleving en zoekt zij het gesprek met allen die de samenleving ter harte gaat. De kerk heeft daarbij niet de aspiraties om zich al te direct in de politiek te mengen en richt zich meer op onderliggende morele vraagstellingen dan op politieke uitwerkingen.
De nota geeft op goede wijze aan hoe kerken in de context van een democratie hun verantwoordelijkheid gestalte kunnen geven. Terecht kreeg zij daarom veel instemming.
Herman Noordegraaf, voor Protestant.nl
30 juli 2010
Herman Noordegraaf is bijzonder hoogleraar diaconaat aan de Protestantse Theologische Universiteit en geldt als deskundige op het gebied van de geschiedenis van het progressieve christendom.