
Hoe mooi stond onze koninklijke familie vroeger op het dressoir bij mijn beppe (oma). Foto’s van de prinsessen naast die van haar eigen kinderen en kleinkinderen. Met tederheid sprak ze over 'Juliaantsje'.
In de jaren vijftig, vol verse herinneringen aan de tweede wereldoorlog, leerden we het vaderland getrouw te zijn. De trits God, Nederland en Oranje werd ons op school als volkomen logisch en historisch ingeprent. Er liep een rechte lijn van Willem van Oranje naar het heden. Koningin Wilhelmina was een oorlogsheldin, bijgestaan door stoere mensen als 'onze' Pieter Sjoerds Gerbrandy.
Op Koninginnedag bibberden we, in korte broekjes, tijdens de aubade voor het stadhuis. ‘Wilt heden nu treden’, zongen we, en natuurlijk het Wilhelmus tot slot. Met een oranje sjerp om het lijf, marcheerden we achter de Christelijke Harmonie door de stad. Daarna was er een optocht met versierde fietsen. Allemaal voor onze koningin. Wij twijfelden niet. Bad dominee niet elke zondag voor ons vorstenhuis? Voor onze vorstin? Protestant waren we, voor koningin en vaderland.
De twijfel kwam later. Waarom zou één familie uitverkoren zijn voor dit hoge ambt? Is het niet vreemd dat erfelijkheid bepaalt dat je in paleizen woont en een vorstelijk bestaan leidt? Dit kan er toch bij een verstandig mens niet in, hoeveel waardering je ook hebt voor een hardwerkende, alom gerespecteerde koningin als Beatrix. Zo’n koningshuis is toch iets voor sprookjes?
Bij alles wat we nu weten over prins Bernhard, past maar één conclusie: het zijn net mensen. Maar waarom dan zo apart gezet, op een troon? Bij het zingen van het Wilhelmus kan ik mijn ontroering nauwelijks verbergen. Maar de trits God, Nederland en Oranje is door de jaren flink van kleur verschoten.
Yko van der Goot voor Protestant.nl
Nieuwe reactie inzenden