Roddels zijn van alle tijden. Ook de gereformeerden in de jonge Republiek bezondigden zich aan achterklap. In de concurrentiestrijd met de dopers waren dogmatische verhandelingen lang niet zo effectief als verhalen waarin feit en fictie listig waren vermengd. Deze heuse tranentrekkers onderstreepten de gereformeerde onschuld en dikten de doperse schuld nog eens extra aan, zo vertelt kerkhistorica Mirjam van Veen.
De ‘calvinisering’ van de Lage Landen ging niet vanzelf. Ook in de zestiende eeuw bezaten mensen een geruststellende dosis eigenwijsheid. Inwoners van de jonge Republiek legden de gereformeerde oproepen om trouw de kerk te bezoeken massaal naast zich neer. Velen bezochten geen enkele kerk; een groot deel van de bevolking bleef de katholieke kerk trouw; een andere groep bezocht de doopsgezinde vermaning.
Met deze laatste groep, de dopers, hadden de gereformeerden het meeste te stellen. Dopers hadden mee vorm gegeven aan de Opstand, dwongen alom respect af door hun levenswandel, en deelden hun Zwitserse wortels met de gereformeerden. De publieke kerk zag de dopers dan ook als serieuze concurrenten. Omdat de seculiere overheid weigerde op te treden tegen de dopers, restte de gereformeerden het wapen van de polemiek. Maar ook bij het gebruik van dit middel stuitten de gereformeerden op een probleem. Predikanten ontdekten al snel dat gewone gelovigen de langdradige verhandelingen over de kerkelijke leer niet lazen. Invloedrijker dan gewichtige theologische argumenten was de roddel en de achterklap.
Een geliefd gereformeerd doelwit was het doperse huwelijksleven. Volgens gereformeerden respecteerden de dopers de huwelijksband niet en maakten ze de normale verhoudingen binnen gezinnen kapot. De gereformeerde verwijten hadden een kern van waarheid. Dopers hadden grote moeite met mensen die buiten hun eigen gemeente trouwden, of met mensen van wie de partner onder kerkelijke tucht stond. Radicale doperse groeperingen neigden ertoe dergelijke huwelijken niet te accepteren. Gereformeerden vergaten bij dit alles echter te vermelden dat zij zelf eveneens grote moeite hadden met dergelijke huwelijken. In plaats daarvan verhaalden ze over gereformeerde mannen die door hun doperse vrouwen werden opgesloten in een hondenhok, over een man die door zijn doperse vrouw werd verlaten en zelfmoord pleegde, en over een gereformeerde man die door doperse schuld zijn kind verloor. Bij al deze verhalen maakten de gereformeerden gebruik van het middel van de overdrijving.
Het duidelijkste voorbeeld van dit procédé is het verhaal over de gereformeerde Dionysius van der Walle en de doperse Maeyken Robays. Toen Maeyken Robays zwanger was, wilde zij verhinderen dat het kind zou worden gedoopt en dook daarom onder. Hierop vroeg Dionysius echtscheiding aan. De provinciale synode van Noord-Holland weigerde echter om hem toestemming te geven voor een scheiding. Zo ongeveer luidde het verhaal over Dionysius en Maeyken in 1588.
Latere gereformeerde versies van dit verhaal zijn aanzienlijk kleurrijker. De gereformeerde predikant Moded vermeldde in 1603 dat Maeyken Robays door de dopers zou zijn gekidnapt. De predikanten Dooreslaer en Austrosylvius maakten het ruim dertig jaar later nog bonter. Maeyken zou niet alleen zijn ontvoerd; ze zou, nadat ze was bevallen, zonder kind naar huis zijn gestuurd. Het kind zou vervolgens zijn overleden, zonder dat vader Dionysius zijn zoon ooit had gezien. Terwijl in de gereformeerde verhalen de doperse schuld steeds afzichtelijker werd, werd de gereformeerde onschuld steeds groter. De vermelding dat de gereformeerde Dionysius het huwelijk zat was en wilde scheiden, ontbreekt namelijk in de latere verhalen. Het verhaal over Dionysius in Maeyken werd kortom in gereformeerde handen getransformeerd tot een ware tranentrekker.
Wat de invloed van de sterke gereformeerde verhalen op tijdgenoten is geweest, is mij niet bekend. Moderne onderzoekers hebben wél geloof gehecht aan de gereformeerde verwijten over de gruwelijke doperse wreedheid. Doperse zestiende-eeuwse opvattingen over het huwelijk worden nog altijd afgeschilderd als extreem en radicaal. Ten onrechte. In de gereformeerde verslagen waren feit en fictie listig dooreen geregen. In werkelijkheid lagen de doperse en gereformeerde huwelijksmoraal dicht bij elkaar: trouwen deed je binnen de eigen kring en wie een partner had die onder de kerkelijke tucht viel, had een groot probleem. Bij al hun onderlinge verschillen waren zestiende-eeuwse kerken het namelijk over één ding wel eens: twee geloven op één kussen, daar sliep de duivel tussen.
Mirjam van Veen, voor Protestant.nl
9 februari 2010
Mirjam van Veen is docent kerkgeschiedenis aan de Vrije Universiteit Amsterdam en heeft verschillende publicaties op haar naam staan over Calvijn en het calvinisme.
Nieuwe reactie inzenden