De wereld een pretpark

woude.jpg

Columnist Rolf van der Woude rebelleerde in de jaren zestig niet mee met de Provo’s. Toch is hij altijd nieuwsgierig gebleven naar het boek waardoor opstandige jongeren zich voelden aangespoord tot verzet tegen de gevestigde orde. Hij ontdekt dat  filosoof Herbert Marcuse in zijn magnum opus uit 1964 de Westerse consumptiemaatschappij reeds genadeloos doorzag – al liet hij de echte schuldige, de mens die zich laat verleiden, vrijuit gaan.

De roerige jaren zestig gingen niet voorbij aan het beschermde gereformeerde milieu waarin ik opgroeide. Maar voor zover ik me herinner, stonden toch vooral uiterlijke zaken ter discussie. Hoe lang het jongenshaar of hoe kort een meisjesrok mocht zijn, welke muziek wel en welke niet op feestjes thuishoorde. En natuurlijk of er gedanst mocht worden. Ons diepgaand bemoeien met wat de revolutionaire jongeren bewoog, deden wij niet. Wel circuleerde onder hen een boek waarvan alleen al de titel me intrigeerde: De eendimensionale mens. Maar de woelige jaren kwamen en gingen en het boek bleef ongelezen. Tot ik onlangs besloot de schade in te halen. Achteraf jammer dat ik en zo weinigen in onze kring, zich in dit werk verdiepten, want op een bepaalde manier is het een profetisch boek.

Het blijkt van de hand van Herbert Marcuse (1898-1979), een filosoof van Duits-joodse komaf die in 1933 naar de Verenigde Staten vluchtte. Daar bouwde hij een carrière op als marxistisch filosoof en inspirator van de jongerenbeweging van de jaren zestig. Hij muntte termen als ‘repressieve tolerantie’ en leverde hun strijdkreet ‘De verbeelding aan de macht’. Zijn Eendimensionale mens uit 1964 werd beroemd en berucht.

Merkwaardig overigens, want Marcuse schrijft zoals je het van een Duitse filosoof verwacht: net zo onleesbaar als ondoorgrondelijk. Toch loont het de moeite om in ieder geval de hoofdlijn van zijn betoog te vatten – voor zover ik er grip op krijg, want Marcuse hult zich in een duistere mengeling van freudiaans en marxistisch jargon waarin ik allerminst doorkneed ben. Hij schildert een gitzwart beeld van de jaren vijftig: de tijd van de Koude Oorlog, de atoomdreiging en de Vietnamoorlog, maar waarin ook industriële en technologische hoogstandjes en consumentisme hoogtij vieren. Oorlogs- en verzorgingsstaat (warfare and welfare state) gaan hand in hand. Hoe was het mogelijk dat toen ‘een gevoel van welbehagen te midden van de ellende’ bestond?

Marcuses analyse is dat ‘een comfortabele, gladde, redelijke en democratische onvrijheid’ bezit heeft genomen van onze hoogindustriële samenleving. De bestuurders van multinationals en andere economische en politieke machten maken de mensen tot willoze figuranten en reduceren hen tot dingen. Deze machten eisen onze tijd op voor zinledige arbeid, dringen behoeften op waar niemand om vraagt en maken zelfbeschikking en zelfrealisatie onmogelijk. Door de mensen zoet te houden met brood en spelen zijn zij zich er niet eens van bewust dat ze worden ingekapseld en gemanipuleerd. En zij die wel de bestaande orde onder kritiek stellen, worden subtiel maar effectief naar de marge van de samenleving geduwd.

Marcuse streefde naar een gemeenschap waar ‘Vrijheid’ heerst, waar de mens zich kan ontplooien zonder onder verplichtingen of verantwoordelijkheden. De ‘homo ludens’, de spelende mens is zijn ideaal. Veel hoop op verandering had Marcuse echter niet. Van de grote mensenmassa moeten we het niet hebben. Zij hebben zich laten omkopen en hun ziel verkocht voor een comfortabel, maar nutteloos bestaan. Maar ook de intellectuele elite – de schrijvers, dichters, cineasten en wetenschappers – heeft zich laten inpakken. Zij hebben er vrede mee dat hun creaties en publicaties voor alles pakkend, leuk en aangenaam moeten zijn. ‘De ruilwaarde, niet de waarheidswaarde is belangrijk’, heet het in Marcuses jargon.

Veertig jaar na dato is Marcuses doemscenario uitgekomen. Tv-programma’s zijn niet meer dan een genoeglijke omlijsting van eindeloze reclameblokken, lifestyle magazines houden ons een schijnwereld voor en sport is religie geworden. Wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen. En dat zijn toch de oplages, de kijk- en luistercijfers. De wereld een pretpark. Wij amuseren ons kapot heet niet voor niets een boek van de cultuursocioloog Neil Postman. Protesten tegen onderdrukking, uitbuiting, milieuvervuiling en mens- en scheppingverwoestend consumentisme: ze mogen geuit en gehoord worden, als ze maar worden overstemd door het amusement.

Marcuse hoopte dat schrijvers en kustenaars, als zij de dodelijke rationaliteit van de consumptiemaatschappij konden weerstaan, de voorhoede van een revolutie zouden vormen. Vanuit hun irrationaliteit en hun verbeelding was ‘de Grote Weigering’ nog mogelijk. Het heeft niet zo mogen zijn. Kunst is commerciële massacultuur geworden en heeft haar kritische functie verloren.

Wat heeft Marcuse ons nog te bieden? Wie door zijn jargon heen prikt en het ontdoet van zijn pseudo-religieuze tendens, krijgt inzicht in de manier waarop onze Westerse samenleving gemanipuleerd wordt. Maar eigenlijk arresteert hij, en met hem de neo-marxixtisten, de verkeerde verdachte. Het is het systeem dat de schuld krijgt, niet de mens zelf. In de protestantse theologie is de mens de schuldige. Hij laat zich verleiden. Maar om een verzoeking te weerstaan is het goed te weten hoe verhullend en sluw zo’n verleiding vaak te werk gaat.

Rolf van der Woude, voor Protestant.nl
19 april 2010

Rolf van der Woude (1952) is als senior-onderzoeker verbonden aan het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme van de Vrije Universiteit.

Nieuwe reactie inzenden

  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Allowed HTML tags: <a> <em> <strong> <cite> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd> <br> <p>
  • Regels en paragrafen worden automatisch gesplitst.

Meer informatie over formaatmogelijkheden

   ___    _     ____    ____  
/ _ \ | |_ |___ \ | __ )
| (_) | | __| __) | | _ \
\__, | | |_ / __/ | |_) |
/_/ \__| |_____| |____/
Enter the code depicted in ASCII art style.