Op donderdag 4 maart 2010 krijgt auteur Jaap Zijlstra de Dr. C. Rijnsdorp Prijs voor zijn gehele oeuvre uitgereikt in de Amsterdamse Doopsgezinde Kerk. Voor Protestant.nl vertelt hij wat deze bekroning van zijn schrijverswerk voor hem betekent.
Wij lazen vroeger thuis De Nieuwe Haagse, een krant die behoorde tot het zogenaamde Rotterdammer Kwartet, een dagbladcombinatie waarin ene C. Rijnsdorp schreef over romans en poëzie. Menig artikel heb ik uitgeknipt en achterin het besproken boek gelegd. In 1972 fuseerde het Rotterdammer Kwartet met Trouw. Bij de verdeling van taken kreeg Trouw-medewerker Koos van Doorne de literaire kritiek toebedeeld en schreef Rijnsdorp voortaan cultureel-kritische beschouwingen van meer algemene aard.
Dr. C. Rijnsdorp (1894-1982) heeft onschatbaar veel betekend voor de culturele ontwikkeling van het protestantse volksdeel. Hij is in 1965 geëerd met een eredoctoraat aan de Vrije Universiteit en na zijn overlijden is de Stichting Dr. C. Rijnsdorp Prijs in het leven geroepen die afwisselend een prijs toekent aan een kunstenaar op het gebied van literatuur, beeldende kunst of muziek. Dat waren in het verleden Guillaume van der Graft (Dr. W. Barnard), Ko Oosterkerk en Maurice Pirenne. En nu, in 2010, valt tot mijn verrassing aan mij de eer te beurt.
Van Dr. C. Rijnsdorp is mij vooral bijgebleven dat hij zijn lezers inprentte: literatuur is levensbeschouwing. Uit wat je schrijft, blijkt wie je bent, hoe je in het leven staat. Bij de bespreking van een literair werk dient ook dat aspect aan de orde te komen. Nu ik de boeken en artikelen van Dr. Rijnsdorp herlees, valt mij op hoe breed zijn belangstelling en waardering was. Hij maakte zijn lezers deelgenoot van zijn zoeken naar een eerlijk en evenwichtig oordeel over een te bespreken dichtbundel of roman, van welke geestelijke snit dan ook, mits het werk maar op z’n minst enige literaire kwaliteit vertoonde.
Die ruimte van geest bezat ook de Vlaamse dichter en criticus Herman de Coninck (1944-1997), maar is vandaag bij menige criticus niet te vinden. Om maar eens wat te noemen: jaarlijks verschijnt er bij de Arbeiderspers een bundel met de honderd beste gedichten van het afgelopen jaar. De keuze is ieder jaar weer heel eenzijdig. Er wordt in ons land een overvloed aan cabaretliederen geschreven. Daaronder bevinden zich hoogtepunten, fraaie liedteksten. Er worden mooie liedjes en gedichten voor kinderen geschreven, pakkende teksten voor tieners (ik noem hier met bewondering Karel Eykman, Ted van Lieshout, Edward van de Vendel). Er verschijnt geestige poëzie, het zogenaamde light verse (ik spreek liever met een Nederlandse term van ‘lichtvoetige poëzie’). Ook bij de vele geloofsgedichten en kerkliederen die in ons land worden geschreven, bevindt zich prachtige poëzie. Maar nee, de opiniemakers op het gebied van de poëzie kiezen voor een bepaald genre dat in de mode is en dat ik kortweg aanduid als schemerachtige tot duistere poëzie.
Voor alle duidelijkheid: ik heb niets tegen deze poëzie; ook die kan indrukwekkend zijn. Alleen: er is meer, veel meer dat de moeite van toegewijd lezen waard is. De poëziebonzen lijden aan bedrijfsblindheid. Ze zien één tak voor de hele boom aan. En dan vragen ze zich in hun bijziendheid ook nog af hoe het komt dat er in Nederland zo weinig poëzie gelezen wordt. Ja, dank je de koekoek, de koekoek éénzang. Wij willen de hele boom en niet die ene tak.
Dat moest mij van het hart. Louter en alleen omdat ik de poëzie ben toegedaan. Als ik in mijn ruime kennissenkring de vraag stel: ‘Lees je wel eens hedendaagse poëzie?’ dan kijken ze je aan alsof je gek bent. Poëzie? Welnee, de dichters van tegenwoordig zijn moeilijk en onbegrijpelijk. Dichters schrijven voor dichters. Een ongevaarlijke sekte, een gesloten circuit. Jammer. Wat mij betreft: ik heb altijd getracht zo helder mogelijk te schrijven. Wat geheimzinnigheid niet uitsluit. Ik ben blij dat het bestuur van de Stichting Dr. Rijnsdorp Prijs mijn hele oeuvre bekroont. Dat zijn mijn liefdesgedichten, maar ook mijn geloofsgedichten, mijn geestelijke, maar ook mijn geestige poëzie. Ook mijn verhalen. De hele Jaap Zijlstra.
Tot slot: ik ben verguld met de prachtige uitgave van mijn Verzamelde Gedichten door Uitgeverij Kok in Kampen. Wat is de foto op het stofomslag raak. Daar is een eenzame boom te zien, vlakbij een veilig omheind terras en aan de rand van een afgrond. De stam draagt niet één tak, maar meerdere takken, honderdvoudig in het blad. De boom leeft, vooral als de wind hem aangrijpt. Die boom, een Einzelgänger, ben ik. Met bomen in de verte rondom, jawel, en een lichte, nevelige hemel in de verste verte. Prachtig. Maar geen ‘geur van hoger honing’ lokt mij weg van de aarde, hoe mystiek van aard ik ook ben.
Ach, dat boompje. Het is zo niks als wat. En toch zo ontiegelijk mooi. Dat het er nog lang mag zijn, geworteld en wel en met uitgestoken armen. Alles in de wind.
Jaap Zijlstra, voor Protestant.nl
1 maart 2010
Jaap Zijlstra (1933) is emeritus-predikant en auteur. Zijn oeuvre telt twintig dichtbundels, een roman, twee novellen en liederen voor het Liedboek voor de Kerken. Ook schreef hij een cantate en thematische bloemlezingen. Als dichter werd hij eerder bekroond met de prijs voor de Vlaamse poëziedagen en de Psalmenprijs.
Nieuwe reactie inzenden