Begin maart start de aanmelding voor de vijfendertigste EO-jongerendag die op 5 juni in het Arnhemse Gelredome wordt gevierd. Historicus Remco van Mulligen bekeek met een groepje collega-wetenschappers oude beelden van het evenement en reflecteert over meegaan met de tijd, het behagen van de christelijke achterban én het gespierde lijf van Arie Boomsma.
Afgelopen weekend zat ik met vijf wetenschappers in een vakantiehuisje nabij Harderwijk om een beeld te krijgen van de historische ontwikkeling van de EO-jongerendagen. Samen met antropologen en sociologen keek ik als historicus naar videobeelden van het evenement uit de afgelopen dertig jaar, waarbij we vooral letten op alles wat met lichamelijkheid te maken heeft. Onze onorthodoxe werkwijze moet een wetenschappelijk artikel opleveren waarin de expertise van alle zes de deelnemers tot uiting komt.
Theoretische reflecties over het thema ‘lichamelijkheid’ zijn niet echt ‘mijn ding’, maar wel gingen mijn gedachten regelmatig terug naar het allereerste begin van de Evangelische Omroep, rond 1970. Toen al begon een discussie die tot op de dag van vandaag wordt gevoerd en die zich concentreert op de spanning tussen de dubbele doelstelling van de omroep. Enerzijds evangeliseren en dus tot op zekere hoogte andersdenkenden tegemoet treden – anderzijds een stem geven aan de protestantse achterban die zichzelf steeds dieper in de marge gedrukt voelt.
In de opstartfase van de EO werd die spanning zichtbaar in een conflict tussen een deel van de programmastaf en het bestuur. De leiding van de omroep bestond voornamelijk uit predikanten, evangelisten en academici die bekend waren in hervormde, gereformeerde en evangelische kring. Op een enkele uitzondering na lag hun leeftijd redelijk hoog en was hun denken traditioneel reformatorisch, antithetisch van aard. De Programmaraad, een orgaan dat alle gemaakte programma’s bekeek voordat ze werden uitgezonden, was grotendeels samengesteld uit leden van dit bestuur.
Het personeel dat in de praktijk de programma’s maakte, was gemiddeld aanzienlijk jonger, wat hen de koosnaam ‘de jonge honden’ opleverde. Deze onervaren tv-makers leerden het vak van twee Amerikanen die door de EO waren ingehuurd: Irvin ‘Shorty’ Yeaworth en Jim ‘the Fireman’ Swackhammer. Yeaworth vertrok al vrij snel in 1970, omdat zijn idee van televisiemaken, in de VS vrij normaal, niet aansloot bij de wensen van het bestuur. Enkele decennia later voerde de EO met programma’s als ‘Henny zoekt God’ alsnog een van Yeaworths plannen uit: een niet-christen als hoofdpersoon in gesprek met allerlei kopstukken uit de EO-achterban, met idealiter een bekering als eindpunt.
Het zoeken van aansluiting bij de mainstream cultuur zoals Yeaworth dat wilde, was een insteek die ook enkele programmamakers aansprak. Zoals te verwachten viel, kwamen ze daarbij in conflict met de Programmaraad, die soms zonder de makers in te lichten besloot om programma’s niet uit te zenden. De redenen lagen vaak op theologisch vlak: iemand sprak te makkelijk over bekering of te weinig eerbiedig over God. Daaraan konden de meer orthodoxe, bevindelijke groepen in de achterban aanstoot nemen. Maar ook de lichamelijkheid kon voor problemen zorgen. Zo moest toenmalig Hoofd tv Jo Koekkoek zich een keer met de Amerikaanse gospelgroep The Forerunners naar de C&A in Hilversum spoeden omdat de Programmaraad de rokken van de vrouwelijke bandleden te kort vond. Een soortgelijk verhaal vertelt voormalig regisseur-in-opleiding Hans van Seventer, een van de ‘jonge honden’ die door de Programmaraad regelmatig werden teruggefloten. Hij moest dan met het technische personeel, meestal mensen van de NOS, het programma aanpassen. Toen bij een van de opnames het dijbeen zichtbaar was van een vrouw met een modieuze rok, moest hij de editors van de NOS uitleggen dat dit niet kon: ‘Die dij, die moet eruit!’ Waarop zowel Van Seventer als de editors in lachen uitbarstten.
De spanning uit de jaren ’70 was vorig jaar ook zichtbaar bij de problemen rondom Arie Boomsma: met een been stond hij als christen in de wereld van de EO, met het andere in de moderne samenleving. Boomsma was net als Van Seventer voor de buitenwacht een ‘goede’ EO-er, een man met wie te praten viel. Maar in een sterk gepolariseerde situatie is zo’n positie onhoudbaar. Dat werd met ‘Boomsmagate’ en ‘Knevelgate’ in 2009 duidelijk. Andries Knevel boog en kon blijven, Boomsma hield voet bij stuk en vertrok. Ook hierbij speelde lichamelijkheid – vooral de goed onderhouden torso van Arie Boomsma – een grote rol.
Hoewel anno 2009 de stijl van leidinggeven een stuk democratischer is dan veertig jaar geleden, stak dezelfde kwestie opnieuw de kop op. Dat maakt de belangrijkste constante zichtbaar: de spanning tussen ‘meegaan met de tijd’ en het behagen van de christelijke achterban. Als die het meegaan met de moderne cultuur te massaal gaat zien als wereldgelijkvormigheid, escaleert de zaak en vallen er ontslagen. Boomsma’s gespierde lijf ten spijt.
Remco van Mulligen, voor Protestant.nl
19 februari 2010
Remco van Mulligen werkt aan de Vrije Universiteit Amsterdam aan een proefschrift over de ontwikkeling van de ‘evangelisch-reformatorische’ beweging vanaf de jaren zestig.
Nieuwe reactie inzenden